NA DE AANVRAAG · KOSTEN EN INVESTERINGEN
WBSO bij nieuwbouw van een R&D-pand: voorwaarden, eigendom en berekening
Kan een nieuw laboratorium, onderzoekscentrum of R&D-afdeling gedeeltelijk als WBSO-uitgave tellen? De voorwaarden, de rol van een vastgoed-B.V., het rekenvoorbeeld van RVO en het financiële voordeel.
Wat is nieuwbouw van een R&D-pand binnen de WBSO?
Kan een onderneming WBSO krijgen over de nieuwbouw van een bedrijfspand? Ja. Wanneer een nieuw gebouw geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O), kan een deel van de nieuwbouwinvestering als uitgave in aanmerking komen voor de WBSO.
Dit geldt bijvoorbeeld voor laboratoria, R&D-afdelingen, ontwikkelwerkplaatsen en onderzoeksfaciliteiten. Zelfs wanneer het gebouw eigendom is van een andere B.V. dan de onderneming die het onderzoek uitvoert, kan WBSO onder bepaalde voorwaarden mogelijk zijn.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) bevestigt deze mogelijkheid expliciet in de Handleiding WBSO 2026. In dit artikel bespreken we de belangrijkste voorwaarden, de positie van een vastgoed-B.V. of holding, de berekening van het subsidiabele deel en de administratieve eisen.
Kan nieuwbouw van een bedrijfspand onder de WBSO vallen?
Ja. De WBSO is niet uitsluitend bedoeld voor de loonkosten van onderzoekers en ontwikkelaars. Naast de S&O-loonkosten kunnen ook bepaalde investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen in aanmerking komen.
RVO noemt in de Handleiding WBSO 2026, bijlage C, expliciet: ‘(delen van) nieuwe gebouwen voor zover deze direct toerekenbaar en dienstbaar zijn aan de eigen S&O-werkzaamheden’. Dit betekent dat investeringen in nieuwe onderzoeksruimtes onder de WBSO kunnen vallen.
Denk bijvoorbeeld aan:
- Een nieuw laboratorium voor materiaalonderzoek.
- Een onderzoekscentrum voor ontwikkeling van medische apparatuur.
- Een ontwikkelwerkplaats waar nieuwe machines worden ontworpen en getest.
- Een nieuwe R&D-afdeling binnen een groter productiebedrijf.
- Speciale ruimtes voor het ontwikkelen en testen van prototypes.
- Een onderzoeksfaciliteit voor nieuwe productieprocessen.
Aan welke voorwaarden moet de nieuwbouw voldoen?
Het gebouw moet nieuw zijn
De WBSO staat bij uitgaven uitsluitend investeringen in nieuw vervaardigde, niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen toe. Een bestaand pand dat wordt aangekocht, kwalificeert daarom niet als nieuw bedrijfsmiddel. Bij een uitbreiding, nieuw aangebouwd gebouwdeel of nieuw gerealiseerde afzonderlijke voorziening moet specifiek worden beoordeeld of sprake is van een kwalificerend nieuw bedrijfsmiddel.
Het pand moet direct dienstbaar zijn aan eigen S&O
Er moet een aantoonbaar verband bestaan tussen de investering en de S&O-projecten van de onderneming. Voorbeelden zijn ruimtes waarin medewerkers daadwerkelijk technische experimenten uitvoeren, nieuwe producten ontwikkelen of technisch-wetenschappelijk onderzoek doen. Dat een ruimte onderdeel is van de R&D-afdeling is op zichzelf onvoldoende; ook het feitelijke gebruik voor kwalificerende werkzaamheden moet aantoonbaar zijn.
Gedeeltelijk S&O-gebruik is toegestaan
Een belangrijk voordeel is dat een gebouw niet uitsluitend voor S&O hoeft te worden gebruikt. Bij investeringsuitgaven mag het kwalificerende S&O-deel worden bepaald op basis van een objectieve en controleerbare verdeelsleutel. Een gebouw waarin zowel productontwikkeling als reguliere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, kan daardoor gedeeltelijk in aanmerking komen.
De investering moet vooraf zijn aangevraagd
De onderneming moet bij de WBSO kiezen voor werkelijke kosten en uitgaven, in plaats van het forfait. De investering moet binnen de betreffende S&O-projecten vooraf zijn aangevraagd en door RVO zijn toegekend.
Betaling en ingebruikname moeten aantoonbaar zijn
Uitgaven komen in aanmerking in het jaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen voor S&O. Bij de mededeling van de realisatie moeten de opgevoerde uitgaven ook daadwerkelijk zijn betaald. Bij nieuwbouwprojecten met meerdere bouwjaren is een zorgvuldige planning daarom noodzakelijk.
Meer informatie: WBSO kosten en uitgaven.
Moet het pand eigendom zijn van de B.V. die de WBSO aanvraagt?
Nee, niet noodzakelijk. Het pand hoeft niet op naam te staan van dezelfde B.V. die de S&O-medewerkers in dienst heeft. Wel moeten de betalingen voor de investeringen drukken op de WBSO-aanvrager of op een onderneming binnen dezelfde fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Dit is vooral belangrijk bij ondernemingsgroepen waarin het vastgoed en de operationele activiteiten zijn ondergebracht in verschillende vennootschappen.
Situatie 1: de werkmaatschappij bezit het pand
Een technologiebedrijf heeft eigen R&D-medewerkers en laat een nieuw gebouw realiseren. De werkmaatschappij bezit het pand, betaalt de bouwkosten en voert de kwalificerende S&O-projecten uit. In deze situatie kunnen de aan S&O toerekenbare nieuwbouwinvesteringen rechtstreeks bij de WBSO-aanvraag van de werkmaatschappij worden opgevoerd, mits aan alle overige voorwaarden wordt voldaan.
Situatie 2: een vastgoed-B.V. bezit het pand
Een onderneming heeft de volgende structuur: Holding B.V. met daaronder een Vastgoed B.V. (eigenaar en investeerder in het pand) en een R&D B.V. (werkgever van de onderzoekers en ontwikkelaars). Wanneer de vastgoed-B.V. en de R&D-B.V. behoren tot dezelfde fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, kunnen de door de vastgoed-B.V. betaalde investeringen onder voorwaarden worden meegenomen in de WBSO-aanvraag van de R&D-B.V.
RVO staat uitdrukkelijk toe dat een aanvrager kosten en uitgaven opvoert die een andere B.V. binnen de fiscale eenheid voor diens S&O-werkzaamheden maakt. Daarbij gelden twee aandachtspunten:
- In de WBSO-aanvraag moet worden aangegeven op welke B.V.’s de opgevoerde kosten en uitgaven betrekking hebben.
- Dezelfde investeringsuitgaven mogen niet nogmaals door een andere B.V. worden opgevoerd.
Situatie 3: de vastgoed-B.V. behoort niet tot dezelfde fiscale eenheid
Als de vastgoed-B.V. geen onderdeel is van dezelfde fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, kunnen de door die vastgoed-B.V. gedane bouwinvesteringen in beginsel niet als uitgaven van de R&D-B.V. worden opgevoerd. Het feit dat beide B.V.’s dezelfde aandeelhouder hebben of dat het pand aan de R&D-B.V. wordt verhuurd, is hiervoor onvoldoende. De fiscale structuur moet dus vooraf worden beoordeeld.
Welke onderdelen van het nieuwe gebouw komen in aanmerking?
Niet de volledige bouwsom van een nieuw bedrijfspand komt automatisch in aanmerking. Eerst moet worden bepaald welke investeringen betrekking hebben op een nieuw bedrijfsmiddel dat direct toerekenbaar en dienstbaar is aan het S&O. Daarna wordt vastgesteld welk deel van het gebouw daadwerkelijk voor kwalificerende S&O-werkzaamheden wordt gebruikt.
| Onderdeel nieuwbouw | Beoordeling WBSO |
|---|---|
| Nieuw R&D-laboratorium | Kan in aanmerking komen |
| Onderzoeksruimte | Kan in aanmerking komen |
| Ontwikkelwerkplaats | Kan in aanmerking komen |
| Ruimte voor technische experimenten | Kan in aanmerking komen |
| Testruimte voor nieuwe producten | Kan in aanmerking komen |
| Algemene kantoorruimte | In beginsel uitgesloten van de R&D-oppervlakte |
| Receptie, algemene hal en sanitair | Niet opgenomen als R&D-ruimte in het RVO-rekenvoorbeeld |
| Reguliere productiehal | Geen S&O-deel, tenzij specifieke ruimte en feitelijk S&O-gebruik aantoonbaar zijn |
| Aankoop en verbetering van grond | Uitgesloten |
| Financieringskosten | Uitgesloten |
Specifieke gebouwgebonden technische installaties, zoals laboratoriumventilatie, klimaatbeheersing of bijzondere onderzoeksvoorzieningen, moeten afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij speelt onder meer de vraag of de voorzieningen deel uitmaken van het kwalificerende bedrijfsmiddel, of de investering rechtstreeks voor eigen S&O wordt gebruikt en of andere fiscale investeringsregelingen van toepassing zijn. Een gespecificeerde bouwbegroting is essentieel om deze beoordeling zorgvuldig te kunnen maken.
Hoe wordt het WBSO-deel van de nieuwbouw berekend?
RVO geeft hiervoor een concreet rekenvoorbeeld in de Handleiding WBSO 2026. De berekening wordt uitgevoerd op basis van: (1) de voor WBSO te beoordelen nieuwbouwinvestering, (2) het percentage van het gebouwoppervlak dat een R&D-functie heeft en (3) het percentage van de werkzaamheden in die ruimtes dat daadwerkelijk als S&O kwalificeert.
Rekenvoorbeeld: nieuwbouw van € 800.000
Een onderneming laat een nieuw R&D-pand bouwen. De totale investering bedraagt € 800.000, nadat onderdelen die niet voor WBSO in aanmerking komen buiten beschouwing zijn gelaten. Uit de bouwtekeningen blijkt dat 63% van het gebouwoppervlak een R&D-functie heeft. Vervolgens wordt vastgesteld dat 58% van de werkzaamheden in deze R&D-ruimtes daadwerkelijk kwalificeert als S&O.
| Onderdeel | Bedrag of percentage |
|---|---|
| Kwalificerende nieuwbouwinvestering vóór gebruikstoerekening | € 800.000 |
| Aandeel ruimtes met R&D-functie | 63% |
| Aandeel daadwerkelijk S&O-gebruik | 58% |
| Effectief S&O-aandeel van het gebouw | 36,54% |
| Subsidiabele WBSO-uitgave | € 292.320 |
€ 800.000 × 63% × 58% = € 292.320. Dit bedrag mag, mits het daadwerkelijk kwalificeert en aan de overige voorwaarden is voldaan, worden toegevoegd aan de S&O-grondslag van de onderneming. Dit rekenvoorbeeld is rechtstreeks gebaseerd op het voorbeeld van RVO.
Hoe wordt het S&O-gebruik vastgesteld?
Het feitelijke gebruik wordt bepaald over de periode vanaf ingebruikname tot en met het einde van het kalenderjaar. De onderneming moet de verhouding onderbouwen met objectieve gegevens, zoals projectregistraties, gebruiksgegevens van onderzoeksruimtes, activiteitenregistraties en een aansluiting met de S&O-administratie. Een achteraf gemaakte, niet-onderbouwde schatting is onvoldoende.
Hoeveel financieel voordeel levert de nieuwbouw op?
De subsidiabele nieuwbouwinvestering wordt toegevoegd aan de S&O-grondslag van de onderneming. Over deze grondslag wordt vervolgens de S&O-afdrachtvermindering berekend. Voor 2026 gelden de volgende percentages:
| WBSO-grondslag | Percentage 2026 |
|---|---|
| Eerste € 391.020 | 36% |
| Eerste € 391.020 voor kwalificerende WBSO-starters | 50% |
| Boven € 391.020 | 16% |
De investeringsuitgave is dus niet hetzelfde als het uiteindelijke fiscale voordeel.
Voorbeeld: € 74.975 extra WBSO-voordeel
Stel dat een onderneming in 2026 al € 250.000 aan kwalificerende S&O-loonkosten in haar grondslag heeft. Daar komt de hiervoor berekende subsidiabele nieuwbouwinvestering van € 292.320 bij. De totale grondslag bedraagt dan € 542.320.
Zonder de nieuwbouwinvestering: € 250.000 × 36% = € 90.000 WBSO.
Met de nieuwbouwinvestering: eerste € 391.020 × 36% = € 140.767,20; resterende € 151.300 × 16% = € 24.208. Totale WBSO: € 164.975,20. Extra WBSO-voordeel door de nieuwbouw: € 74.975,20.
Bereken de mogelijkheden met de WBSO-calculator.
Wat gebeurt er bij investeringen van € 1 miljoen of meer?
Voor grotere investeringen kent de WBSO een bijzondere regeling. Wanneer het aan S&O toerekenbare en dienstbare deel van de aanschafwaarde van één bedrijfsmiddel € 1 miljoen of meer bedraagt, geldt een spreiding over maximaal vijf kalenderjaren. Per kalenderjaar komt maximaal 20% van de aanschafwaarde in aanmerking, gecorrigeerd voor het feitelijke aandeel dat direct toerekenbaar en dienstbaar is aan S&O.
Voorbeeld: een onderzoeksgebouw van € 3 miljoen
Stel dat een nieuw onderzoeksgebouw een kwalificerende aanschafwaarde van € 3 miljoen heeft en voor 50% wordt gebruikt voor S&O. Het aan S&O toe te rekenen bedrag is € 3.000.000 × 50% = € 1.500.000. Dit bedrag is hoger dan € 1 miljoen. Bij een ongewijzigd S&O-gebruik van 50% komt per kalenderjaar maximaal € 3.000.000 × 20% × 50% = € 300.000 in aanmerking. Gedurende maximaal vijf kalenderjaren kan zo in totaal € 1.500.000 aan de S&O-grondslag worden toegevoegd, mits het gebouw in die jaren direct toerekenbaar en dienstbaar blijft aan S&O en aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Het feitelijke S&O-gebruik moet per jaar opnieuw worden vastgesteld.
Wat als de totale bouwsom hoger is dan € 1 miljoen, maar het S&O-deel lager?
Dan hoeft de vijfjaarsregeling niet automatisch van toepassing te zijn. RVO geeft bijvoorbeeld aan dat bij een bedrijfsmiddel van € 1,2 miljoen dat voor 60% kwalificeert, het S&O-deel € 720.000 bedraagt. Omdat dit deel onder € 1 miljoen blijft, kan de kwalificerende uitgave eenmalig worden opgevoerd. Het is dus belangrijk om de grens van € 1 miljoen te beoordelen aan de hand van het daadwerkelijk toerekenbare S&O-deel van het bedrijfsmiddel.
Wanneer moet de nieuwbouw worden aangemeld voor de WBSO?
Een onderneming moet tijdig bepalen in welk kalenderjaar de nieuwe onderzoeksfaciliteit voor S&O in gebruik wordt genomen. Dit is vooral belangrijk wanneer de bouw zich over meerdere jaren uitstrekt. Stel dat de voorbereiding en bouw starten in 2026, het nieuwe pand in 2027 wordt opgeleverd en de onderzoeksafdeling het pand in 2027 voor het eerst voor S&O gebruikt. Dan moet tijdig worden beoordeeld hoe de investeringsuitgave in de WBSO-aanvraag voor 2027 wordt verwerkt.
De uitgave komt in beginsel in het jaar van ingebruikname in aanmerking. Daarbij moeten de WBSO-aanvraagperiode, de toekenning, het verloop van de betalingen en de uiteindelijke realisatiemelding op elkaar worden afgestemd. Vooral bij termijnbetalingen die al vóór het jaar van ingebruikname plaatsvinden, verdient de behandeling voorafgaande afstemming met RVO.
De keuze voor werkelijke kosten en uitgaven
Bij de eerste WBSO-aanvraag van een kalenderjaar kiest de aanvrager tussen het forfaitaire bedrag per S&O-uur en de werkelijke S&O-kosten en uitgaven. Deze keuze geldt vervolgens voor het hele kalenderjaar en kan binnen dat jaar niet worden gewijzigd. Wanneer een grote nieuwbouwinvestering wordt verwacht, is het daarom belangrijk vooraf te berekenen of de werkelijke kosten en uitgaven gunstiger zijn.
Meer informatie: WBSO aanvragen en WBSO 2027.
Welke administratie is nodig voor een WBSO-nieuwbouwinvestering?
- Bouwbegroting en kostenspecificatie: inzicht in de investeringskosten en de onderdelen die wel of niet kwalificeren.
- Bouwtekeningen: een objectieve bepaling van de oppervlaktes met een R&D-functie.
- R&D-ruimteoverzicht: beschrijving van de functie en het gebruik van iedere onderzoeksruimte.
- S&O-projectadministratie: de ontwikkelingsprojecten waarvoor het gebouw wordt gebruikt.
- Feitelijke gebruiksregistratie: onderbouwing van het S&O-aandeel vanaf de datum van ingebruikname.
- Facturen en betalingsbewijzen: bewijs van daadwerkelijk gedane en betaalde uitgaven.
- Ingebruiknamedocumentatie: vastlegging van wanneer de faciliteiten voor S&O beschikbaar en daadwerkelijk in gebruik zijn genomen.
- Fiscale eenheidsdocumentatie: wanneer investeringen door een andere B.V. binnen de fiscale eenheid worden gedaan.
RVO kan bij een controle achteraf beoordelen of de gebruikte verdeelsleutel overeenkomt met de feitelijke situatie. Een objectieve en controleerbare onderbouwing is daarom essentieel. Meer informatie vindt u op de pagina WBSO-administratie.
Welke fouten komen in de praktijk voor?
Het volledige pand als S&O-uitgave opvoeren
Een nieuwe R&D-vestiging betekent niet dat het hele pand uitsluitend voor kwalificerend S&O wordt gebruikt. Algemene ruimtes en andere activiteiten moeten bij de berekening worden betrokken.
De fiscale structuur onvoldoende controleren
Een vastgoed-B.V. en een operationele B.V. met dezelfde aandeelhouder vormen niet automatisch een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.
Het S&O-gebruik uitsluitend schatten
Een globale schatting achteraf is niet voldoende. De gebruiksverdeling moet objectief en controleerbaar zijn.
Te laat kiezen voor werkelijke kosten en uitgaven
Wanneer eerder in het kalenderjaar voor het forfait is gekozen, kan deze keuze niet alsnog worden gewijzigd.
Andere investeringsregelingen over het hoofd zien
Investeringen die voor EIA of MIA in aanmerking komen, zijn uitgesloten als WBSO-uitgave. Bij duurzame nieuwbouw en bijzondere gebouwinstallaties moet daarom ook de samenloop met andere investeringsregelingen worden gecontroleerd.
Veelgestelde vragen over WBSO en nieuwbouw
Kan een nieuw bedrijfspand in aanmerking komen voor WBSO?
Moet het pand eigendom zijn van dezelfde B.V. die WBSO aanvraagt?
Kan een vastgoed-B.V. een R&D-pand financieren en de werkmaatschappij WBSO aanvragen?
Is een fiscale eenheid voor de btw voldoende?
Kan een laboratorium onder de WBSO vallen?
Kan een R&D-pand ook gedeeltelijk voor productie worden gebruikt?
Komt de aankoop van grond in aanmerking?
Hoe bereken ik het WBSO-deel van de bouwsom?
Wat gebeurt er als de investering meer dan € 1 miljoen bedraagt?
Kan ik een pand dat al in gebruik is genomen alsnog opvoeren?
Mag ik de nieuwbouwinvestering combineren met EIA of MIA?
Welke documenten verlangt RVO?
WBSO bij nieuwbouw: laat uw investeringsplannen vooraf beoordelen
Bij de ontwikkeling van een nieuw bedrijfspand kan de WBSO een aanzienlijke fiscale besparing opleveren. Vooral bij grotere onderzoeksfaciliteiten, gespecialiseerde laboratoria en nieuwbouw binnen een concernstructuur is het belangrijk om de mogelijkheden al tijdens de voorbereiding te beoordelen. De juiste afbakening van de bouwinvestering, de eigendomsstructuur en het daadwerkelijke S&O-gebruik kunnen grote gevolgen hebben voor het uiteindelijke WBSO-voordeel.
Klaren Subsidieadvies helpt ondernemingen bij het beoordelen van nieuwbouwinvesteringen voor de WBSO, het vaststellen van kwalificerende kosten en uitgaven, investeringen binnen een fiscale eenheid, het berekenen van het subsidiabele S&O-aandeel, het opstellen en indienen van WBSO-aanvragen en het voorbereiden van de onderbouwing voor een eventuele RVO-controle.
Wilt u weten of uw geplande nieuwbouw geheel of gedeeltelijk in aanmerking kan komen voor WBSO?
Neem contact op met Klaren SubsidieadviesBronnen en inhoudelijke verantwoording
Dit artikel is gebaseerd op de officiële regelgeving en toelichting van RVO voor 2026:
- RVO – Handleiding WBSO 2026, met name § 1.5.2.2 en bijlage C, pagina 37–39 (rvo.nl).
- RVO – WBSO voorwaarden en aanvraagproces.
Auteur: Peter Klaren – Klaren Subsidieadvies B.V. Conceptdatum: 19 oktober 2026. Status: gebaseerd op de WBSO-regels 2026; toets de definitieve regels voor 2027 vóór toepassing.